Image by Marnix de Bruyne

“Alle geesten van onze koloniale en postkoloniale geschiedenis werden toen opgegraven, waarna ze bleven rondspoken. De stemfraude was de vonk die in het kruitvat sloeg.” Het is een citaat uit de mond van de Keniaanse schrijver en journalist Parselelo Kantai, opgetekend door Marnix de Bruyne in zijn onlangs verschenen boek Als een slang je bijt, blijf je altijd bang.

Het is begin 2008 als zich in het Oost-Afrikaanse land een geweldsexplosie voltrekt die zeker 1100 mensen het leven kost. Er is een veelvoud aan gewonden en honderdduizenden mensen raken ontheemd. Een fel betwiste verkiezingsuitslag vormt de aanleiding tot het conflict maar, zoals Kantai observeert, het is tevens de culminatie van wat tientallen, zo niet honderden jaren, broeit. Hier wreken zich koloniale vernedering, etnische tweedracht, landroof, het machtsmisbruik en de zelfverrijking van de postkoloniale machthebbers.

Ik heb enkele levendige herinneringen aan het drama omdat ik ruim een half jaar later in Nairobi het eerste Kwani! Litfest bijwoonde. Dit literaire festival bracht vele tientallen schrijvers uit de regio bij elkaar. In afgeladen discozalen, boekwinkels en theaters lazen schrijvers voor uit eigen werk en gingen met elkaar en met het publiek in gesprek. De gebeurtenissen van eerder dat jaar echoden na in tal van bijdragen. Dat had alles te maken met de oproep die de oprichter van het Kwani! collectief, de veel te jong overleden schrijver Binyavanga Wainaina daags na het uitbreken van het geweld deed in een lege mail met als de aan duidelijkheid niets te wensen overlatende hartekreet in de subjectline: “Schrijf!” Tijdens het festival hoorden we tal van ontroerende en pijnlijke getuigenissen. Kort na het festival verscheen een bundel met verhalen van veelal jonge Kenianen die, wereldwijs en hoog opgeleid als ze waren, verbijsterd de vernietigingsdrang van de oude geesten hadden ervaren.

In zijn boek brengt De Bruyne de gebeurtenissen van vroeg 2008 weer tot leven aan de hand van gesprekken met tientallen betrokkenen en waarnemers. Zo ontstaat een minutieuze reconstructie waarin de verwikkelingen nadat een brand een einde aan het leven heeft gemaakt van enkele tientallen Kikuyu die zich in de kerk in Kiambaa verschansten als een rode draad door het boek lopen. In dit drama heeft de huidige president van het land, Ruto, vermoedelijk de hand had.

De Bruyne kiest als invalshoek de rol van het Internationaal Strafhof in de vervolging – of liever: het uitblijven ervan - van de verantwoordelijken. Lange tijd spreekt uit de gesprekken met mensen die slachtoffer werden de verwachting dat het hof gerechtigheid zou brengen. Het lijkt ook even van vervolging te komen. Maar in het verloop van het boek slaan moedeloosheid en bitterheid toe.

Door over een periode van jaren steeds naar Kenia terug te keren en verder te graven, bouwt De Bruyne aan een community van getuigen, bronnen, beambten. Met eindeloos geduld en oog voor detail ontstaat een getuigenis die de lezer tot op de drempel van de werkelijke gebeurtenissen voert. En niet alleen dat. De Bruyne biedt ook een bredere context die ingaat op koloniale erfenissen, de schimmige mechanismen van het Keniaanse politieke bedrijf en de positionering van generaties, van X tot Z. Waar Y het eerder genoemde festival voortbracht en generatiegenoten weer leerde te dromen, manifesteert Z zich in de steeds weer de kop opstekende protesten die in juni 2025 de regering dwong gehate belastingverhogingen in te trekken. Het is deze generatie die zich niet langer langs etnische lijnen tegen elkaar laat uitspelen. Een zeer hoopvol gegeven.

Het strafhof ziet zich nadat verschillende getuigen werden gedwongen hun verklaringen in te trekken om de vervolging te staken. Het is een bittere pil voor bijvoorbeeld de weduwe van een vermoorde man die tegen De Bruyne zegt: “Pas als er gerechtigheid is voor degene van wie je houdt, kun je ontspannen.” Met dit citaat sneuvelt tevens een veel gehoorde perceptie dat ‘Afrikanen’ eerdere conflicten met enig gemak achter zich laten door de gebeurtenissen met elkaar onder een boom te bespreken.

De Bruyne slaagt er goed in om veel latente woede over het cynisme van het spel van de machthebbers die het verdeel en heers en het graaien tot een ware kunst hebben verheven, de koloniale aanpak hebben geïnternaliseerd en tegelijkertijd het slachtoffer van het kolonialisme spelen uit de tekst te laten spreken. Bijvoorbeeld als hij voor de laatste keer wegrijdt van twee, inmiddels gerestaureerde kerken in Kiambaa, één ervan gefinancierd door Ruto, de ander door zijn rivaal Odinga: “Voor we instappen en wegrijden, kijk ik nog één keer om naar wat ik alleen maar kan zien als twee witte olifanten. De twee grootste politieke rivalen in Kenia staken er veel geld in, hopend elkaar af te troeven in de jacht op de gelovige kiezers – vanuit de aanname dat een blinkende kerk een tragedie kan doen vergeten.” Martha Karua, de voormalige running mate van Raila Odinga, de vorig jaar overleden politicus, die in 2007 vanwege grootscheepse fraude de overwinning aan zich voorbij zag gaan, oordeelt in niet mis te verstane bewoordingen: “We hebben hier in Kenia dan ook geen regering, maar een schurkachtig, crimineel regime.” Kantai, op zijn beurt, noemt Kenia een ‘vampierstaat.’

Bij de presentatie van het boek sprak de Keniaanse, in Nederland woonachtige journalist Oyunga Pala behartenswaardige en warme woorden over De Bruyne’s boek en pleitte voor een Engelse vertaling. Pala benadrukte het belang van de blik van de buitenstaander. De Bruyne zelf geeft uiting aan enige twijfel. Kan hij wel alles van de gruwelijkheden begrijpen vanwege zijn ‘witte, individualistische achtergrond.’ Mij lijkt dat hij zichzelf hier tekort doet.

Oyunga Pala’s bijdrage aan de boekpresentatie is hier terug te zien.

Als een slang je bijt, blijf je altijd bang bestel je hier.

Lees enkele (Engelstalige) fragmenten uit De Bruyne’s boek hier.

“All the ghosts of our colonial and post-colonial history were dug up, and they have continued to haunt us. The vote rigging was the spark that ignited the powder keg.” This is a quote from Kenyan writer and journalist Parselelo Kantai, recorded by Marnix de Bruyne in his recently published book Als een slang je bijt, blijf je altijd bang (When a Snake Bites You, You Always Remain Afraid).

It is early 2008 when an explosion of violence takes place in the East African country, killing at least 1,100 people. Many more are injured, and hundreds of thousands are displaced. A fiercely contested election result triggered the conflict, but as Kantai observes, it was also the culmination of decades, if not centuries, of simmering tensions. Colonial humiliation, ethnic strife, land grabbing, abuse of power, and the self-enrichment of post-colonial rulers all took their toll.

I have some vivid memories of the drama because, more than six months later, I attended the first Kwani! Litfest in Nairobi. This literary festival brought together dozens of writers from across the region. In packed discos, bookshops, and theatres, writers read from their own work and engaged in conversation with each other and with the audience. The events of earlier that year echoed in numerous contributions. This had everything to do with the appeal made by the founder of the Kwani! collective, the writer Binyavanga Wainaina, who died far too young, the day after the violence broke out. In an email, he put a heartfelt plea in the subject line that left nothing to be desired in terms of clarity: "Write!" During the festival, we heard numerous moving and painful testimonies. Shortly after the festival, a collection of stories was published, mostly by young Kenyans who, worldly and highly educated as they were, had been stunned by the destructive urge of the old spirits.

In his book, De Bruyne brings the events of early 2008 back to life through conversations with dozens of people involved and with observers. The result is a meticulous reconstruction in which the events following a fire that killed dozens of Kikuyu who had barricaded themselves in the church in Kiambaa run like a thread through the book. The current president of the country, Ruto, is believed to have had a hand in this drama.

De Bruyne chooses as his angle the role of the International Criminal Court in the prosecution — or rather, the lack thereof — of those responsible. For a long time, conversations with victims express the expectation that the court would bring justice. For a moment, it seems that prosecution is imminent. But as the book progresses, despondency and bitterness set in.

By returning to Kenya over a period of years and digging deeper, De Bruyne builds a community of witnesses, sources, and officials. With endless patience and an eye for detail, he creates a testimony that takes the reader to the threshold of the actual events. And not only that. De Bruyne also offers a broader context that addresses colonial legacies, the shadowy mechanisms of Kenyan politics, and the positioning of generations from X to Z. Where Y produced the aforementioned festival and taught his peers to dream again, Z manifests itself in the recurring protests that forced the government to withdraw hated tax increases in June 2025. It is this generation that no longer allows itself to be pitted against each other along ethnic lines. A very hopeful development.

The criminal court finds itself in a difficult position after several witnesses were forced to withdraw their statements in order to stop the prosecution. It is a bitter pill to swallow for, for example, the widow of a murdered man. She says to De Bruyne: "Only when there is justice for the one you love can you relax." This quote also dispels a commonly held perception that 'Africans' leave previous conflicts behind with some ease by discussing the events with each other under a tree.

De Bruyne succeeds in channelling a great deal of latent anger about the cynicism of those in power, who have elevated divide and rule and greed to a true art form, internalising the colonial approach. At the same time, they play the victim of colonialism. For example, when he drives away for the last time from two now-restored churches in Kiambaa, one financed by Ruto, the other by his rival Odinga: “Before we get in and drive away, I look back one last time at what I can only see as two white elephants. The two biggest political rivals in Kenya invested a lot of money in them, hoping to outdo each other in the hunt for religious voters – based on the assumption that a shiny church can make people forget a tragedy.” Martha Karua, the former running mate of Raila Odinga, the politician who died last year and who saw victory slip away in 2007 due to large-scale fraud, puts it in no uncertain terms: "We don’t have a government here in Kenya, but a rogue, criminal regime." Kantai, for his part, calls Kenya a “vampire state.”

At the book launch, Kenyan journalist Oyunga Pala, who lives in the Netherlands, spoke warmly and eloquently about De Bruyne’s book and called for an English translation. Pala emphasised the importance of the outsider’s perspective. De Bruyne himself expresses some doubt. Can he really understand all the atrocities because of his “white, individualistic background”? It seems to me that he is selling himself short here.

Oyunga Pala’s contribution to the book presentation can be seen here

Als een slang je bijt, blijf je altijd bang bestel je hier.

Read English fragments from De Bruyne’s book.

 

Call to Action

ZAM works towards a new equal relationship between Africa and Europe. Contribute to our mission by donating.

Culturele Boycot Israel