Zoë Wicomb schreef met 'Still Life' aan het eind van haar leven een meta-roman. Wie moet dit verhaal over een 19de eeuwse abolitionist en dichter eigenlijk vertellen? De roman-personages kibbelen met elkaar.
De laatste roman van Zoë Wicomb, Still Life (2022), speelt zich af op haar schrijftafel in Glasgow. En daar dan weer vooral in de hoofden van de personages die ze uit verschillende tijden in het verleden heeft opgeroepen en die zij als vertellers opvoert. Als lezer moet je goed je aandacht erbij houden: wie is er ook weer aan het woord?
Wicomb zelf, de auteur, probeert zoveel mogelijk buiten beeld te blijven, zich te verstoppen achter haar personages. Dat lukt natuurlijk niet, want hoe zouden die reïncarnaties van personen – die echt hebben geleefd – zonder Wicomb met elkaar in het heden kunnen praten, kibbelen en de straat op gaan?
Ingewikkeld? Ja, dit is een meta-roman, een fantasie over een mislukt biografie-project. Wicomb doet net of zij een biografie had willen schrijven over Thomas Pringle (1789-1834), een man die in Groot-Brittannië enige bekendheid geniet als Schotse dichter en abolitionist (actievoerder tegen slavernij). Hij woonde een paar jaar in Zuid-Afrika en probeerde er een non-raciale gemeenschap op te bouwen, maar werd als querulant naar het moederland teruggestuurd door de gouverneur. Daar bleef hij zich inzetten tegen slavernij en werd onder meer uitgever. Hij zag zich in de eerste plaats als dichter, maar kreeg in Groot-Brittannië weinig erkenning, wel in Zuid-Afrika.
Wie moet dit verhaal eigenlijk vertellen? Wicomb koos Hinza uit, de 'Bechuana boy' uit een gedicht van Pringle. En Mary Prince, een ex-slaafgemaakte uit de Cariben, van wie hij een sterk bewerkte autobiografie uitgaf. En dan als een soort eindredacteur wekt ze een personage uit de roman Orlando van Virginia Woolf tot leven: dichter Sir Nicholas Greene. Ze geeft hen elk een karaktervolle stem. Helemaal aan het eind verschijnt Wicomb als ik-figuur in haar boek: om de redacteur van haar uitgeverij te vertellen dat haar Pringle-biografie er nooit zal komen.
Kritisch reflecteren
Vermakelijk en boeiend zijn de passages waarin Hinza en ook Mary kritisch reflecteren op Pringle's welwillend-betuttelende omgaan met hun levens. Het sympathieke, sentimentele dichtwerk The Bechuana Boy staat vol onzin (het is een romantische draak, te vinden op internet), vindt Hinza. Mary is dankbaar voor de uitgave van een deel van haar herinneringen, maar ook meewarig, omdat veel belangrijks is weggelaten. Haar tekst is bovendien herschreven om te dienen in de campagnes van de goeddoeners.
De Hinza van nu gaat op reis naar Zuid-Afrika. Maar daar wordt het verhaal overgenomen door Vytjie (kort voor Sofia), die werkte voor de Pringle's in Zuid-Afrika (1820-1826), toen die Hinza daar 'adopteerden'. De vele bladzijden in Still Life waarin Vytjie aan het woord is met haar scherpe blik op de paradoxen en dilemma's van de 'verlichte kolonialen' als Pringle, spraken mij het meest aan. Misschien wel omdat zij het verhaal van de Zuid-Afrikaanse jaren uit het leven van Pringle nogal biografisch vertelt, maar wel lekker persoonlijk gekleurd.
Zoë Wicomb, Still Life, Peninsula Press Londen, 2022.